Resolutie van het Europees Parlement over godsdienstvrijheid in de Volksrepubliek China

Notulen van 15/02/2001 - Definitieve uitgave

Mensenrechten: Godsdienstvrijheid in de Volksrepubliek China
B5-0106, 0116, 0124, 0142 en 0145/2001

Het Europees Parlement,

-  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de mensenrechten in China, over Tibet en over de prioriteiten en aanbevelingen voor de vergadering van de VN-Commissie voor de mensenrechten in maart 2001 in Genève,

-  gezien de conclusies van de topbijeenkomst van de EU en de Volksrepubliek China op 21 december 1999 en de conclusies van de Raad van 22 januari 2001 over de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten,

-  gelet op artikel 18 van de Universele verklaring betreffende de rechten van de mens over godsdienstvrijheid,

A.  overwegende dat de Commissie in haar verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van de mededeling  "Voor een omvattend partnerschap met China"  (COM(2000) 552) opmerkt dat de situatie op het gebied van de politieke, burger-, en godsdienstrechten in China verslechterd is en dat diezelfde vaststelling ook in de conclusies van de Raad algemene zaken van 22 januari 2001 te lezen staat,

B.  constaterend dat de Chinese autoriteiten sinds 1994, na eerst de verplichte registratie van de plaatsen waar erediensten kunnen worden gehouden te hebben ingevoerd, vervolgens de vrije uitoefening van de godsdienstvrijheid hebben beknot,

C.  eraan herinnerend dat de controle door de staat op de godsdiensten al blijkt uit de beperking van het aantal officieel erkende godsdiensten en uit het feit dat elke religieuze activiteit die niet als dusdanig door de officiële instanties geregistreerd staat, als onwettelijk wordt beschouwd,

D.  overwegende dat het repressieve beleid ten aanzien van religieuze activiteiten weliswaar varieert naar gelang van de goodwill van de plaatselijke autoriteiten, maar dat dit beleid in de zogenaamde autonome regio Tibet systematisch en onverbiddelijk wordt uitgevoerd,

E.  overwegende dat het religieus, cultureel en nationaal erfgoed van het Tibetaanse volk dreigt te worden vernietigd,

F.  overwegende dat de Falun Gong-beweging op 22 juli 1999 in China officieel buiten de wet werd gesteld en dat op 29 juli 1999 een arrestatiebevel werd uitgevaardigd tegen de stichter Li Hung-Zhi, dat naar verluidt de afgelopen twee jaar zon 50.000 leden van de Falun Gong-beweging inderdaad zijn aangehouden, dat bijna 25.000 van hen momenteel in de gevangenis zitten, naar werkkampen zijn gedeporteerd of tegen hun wil in psychiatrische inrichtingen opgenomen zijn en dat tot op heden 137 van hen zijn omgekomen ten gevolge van het geweld en de folteringen waarvan zij tijdens hun arrestatie of gevangenschap het slachtoffer zijn geweest,

G.  overwegende dat sinds het Vaticaan in 1989 zijn eigen bisschoppenconferentie heeft ingesteld, de spanningen tussen de autoriteiten in Beijing en de niet-officiële katholieke kerk fors zijn toegenomen en dat vele prominente geestelijken van de niet-officiële katholieke kerk nog steeds gevangen worden gehouden of hun bewegingsvrijheid beperkt zien wegens hun weigering om zich bij de officiële kerk aan te sluiten,

H.  herinnerend aan het beleid van systematische uitwijzing en arrestatie waarvan buitenlandse protestantse dominees het slachtoffer zijn en aan de administratieve pesterijen waaraan gelovigen van niet erkende protestantse kerken blootstaan,

I.  zijn beklag makend over de afbraak van moskeeën en de arrestatie van personen die de Koran onderwijzen zonder daarvoor vooraf toestemming van de autoriteiten te hebben gekregen,

1.  roept China ertoe op iedereen vrij te laten die vast wordt gehouden of in de gevangenis zit, omdat hij op vreedzame wijze zijn internationaal erkend recht op geloofs-, godsdienst- en gewetensvrijheid uitoefent;

2.  verlangt dat het grondwettelijk recht op godsdienst- en geloofsvrijheid ten volle wordt geëerbiedigd, met inbegrip van de gewetensvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering die hiermee onlosmakelijk verbonden zijn;

3.  betreurt dat de Volksrepubliek China het internationaal verdrag over de burger- en politieke rechten en het internationaal verdrag over de economische, sociale en culturele rechten weliswaar ondertekend heeft, maar nog steeds niet geratificeerd en ten uitvoer gelegd heeft;

4.  veroordeelt nogmaals de aanhoudende, ernstige schendingen van de mensenrechten in Tibet en de voortdurende discriminatie op grond van ras, etnische afkomst of religieuze, culturele of politieke overtuiging waaraan het Tibetaanse volk van de zijde van de Chinese autoriteiten bloot staat;

5.  vraagt de regering van de Volksrepubliek China de Falun Gong-leden toe te staan hun fundamenteel recht op gewetensvrijheid en vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering uit te oefenen in overeenstemming met de Chinese grondwet;

6.  verzoekt de Europese Unie en de lidstaten bij de VN-Commissie voor de rechten van de mens op de vergadering in Genève een resolutie in te dienen, waarin alle schendingen van de rechten inzake godsdienstvrijheid aan de kaak worden gesteld, in het bijzonder de schendingen waarvan de Tibetaanse en Mongoolse Boeddhisten en sommige christelijke kerken en moslimgemeenschappen en de leden van de Falun Gong-beweging het slachtoffer zijn;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, het bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

ONDERNEEM ACTIE

In Focus

Voor meer informatie neem contact op met
het Falun Dafa Informatiecentrum

+31 (0)6-46767319 (Peter Houben)
of via het contact formular