Een onderwijzeres vertelt over de fysieke en mentale mishandelingen die zij onderging in het Baimalong dwangarbeidskamp voor vrouwen in Zhuzhou stad in de provincie Hunan.

14-05-2008 Ooggetuigen

Op een nacht in december 2005 rond ongeveer 10u 's avonds werd mijn huis plotseling omsingeld door agenten van de nationale veiligheidsdienst. Ze bleven daar staan tot ongeveer 2u in de namiddag van de dag erop, toen ze mijn huis binnenbraken en me arresteerden. Ik werd vastgehouden in een politiestation in de westkant. Na me verscheidene uren vruchteloos te hebben ondervraagd, werd ik overgebracht naar de stedelijke gevangenis. Daar hielden ze me een maand vast voor ik uiteindelijk werd overgeplaatst naar het Baimalong dwangarbeidskamp voor vrouwen. Deze plaats is berucht en staat gekend als een hel op aarde. Ik werd veroordeeld tot één jaar dwangarbeid. Die gevangenschap van één jaar heeft me werkelijk de valse en gewetenloze façade van de Chinese communistische Partij (CCP) doen inzien. In het Baimalong dwangarbeidskamp voor vrouwen werd ik vreselijk vervolgd.

Aanvankelijk werd ik vastgezet op de tweede verdieping bij het tweede team van de zevende divisie, waar bijna alle pas gevangengenomen \[Falun Gong] beoefenaars gedwongen werden hersenspoeling te ondergaan. De eerste verdieping is de locatie van het eerste team, het "strenge toezicht team". Het derde team is het "aanvalsteam".

Twee collaborateurs hielden me in de gaten, onder "uitpersingscontrole". Ze praatten constant op me in, in een poging me te overtuigen mijn geloof op te geven. Ze rapporteerden aan de directie van het kamp en scheldden me uit, maar ze konden me niet overhalen. Teamhoofd Long Liyun riep me later in haar kantoor, speldde me de les en de andere cipiers praatten de ene na de andere op me in om me te overtuigen Falun Gong op te geven, maar ze konden mijn hart niet beroeren. Als resultaat werd ik overgeplaatst naar het derde team - het "aanvalsteam".

Shi Yongqing, hoofd van het derde team, wilde de waarheid over Falun Gong niet aanhoren. Ze stuurden me onmiddellijk naar Cel Nr.1 waarde ernstigste mishandelingen gebeurden. In die cel, werd ik gedwongen op een stenen tegel te staan die zo groot was als mijn voeten. Ik werd geschopt en geslagen van zodra mijn voeten een beetje van de tegel kwamen.

De andere gevangenen dronken water en spuwden het op me uit. Ik werd non-stop gefolterd, 24 uur per dag; ik behandelde echter mijn beulen met zachtaardigheid en compassie. Bijvoorbeeld, een gevangene hield me in de gaten terwijl ik op deze tegel stond. Ik werd moe en mijn voet gleed van de tegel. De gevangene schopte me met alle geweld in de buik, maar tezelfdertijd, slaakte ze een kreet van pijn terwijl ze op de grond viel. Ik ging naar haar toe, hielp haar opstaan, een streek haar kleren glad. Ze was in shock en staarde me aan. Ik zag haar nooit meer terug.

Ongeacht hoeveel deze criminelen me verbaal beledigden, ik keek ze aan met een glimlach. Omwille van de volharding in mijn geloof en omdat ik niet meewerkte met de plannen van mijn vervolgers, maakten de medegevangenen het mij moeilijk. Ze zouden me slaan terwijl ik gewoon mijn drinkbeker neerzette, een bord afwaste of wat te traag liep. Later martelden ze me door me te dwingen te hurken in een pijnlijke positie. Ik kon die positie niet aanhouden en viel op de grond. Dan schopten en sloegen ze me. Ze plaatsten hun knieën op mijn hoofd, op mijn middel en op mijn rug. Ik had overal blauwe plekken en wonden. Ze pakten me zo hard aan dat ik meer dood dan levend was.

Op een dag gaf de directie ons een toets. Verschillende vragen besmeurden Falun Gong, en dus wij beoefenaars weigerden ze in te vullen. Ze straften ons door ons een hele dag te doen rechtstaan. Ik werd overgeplaatst naar het "strenge toezicht team". Om me te "hervormen"2 mishandelden de cipiers me op verschillende wijzen. Ze lieten me niet toe te slapen, te douchen, mijn tanden te poetsen, mijn gezicht te wassen, en naar het toilet te gaan. Ik werd gedwongen te hurken in een hoek bij de muur met mijn armen voor me uitgestrekt parallel aan mijn schouders. Drie wachters en criminelen pijnigden me om beurten. Ze vergeleken hun martelmethoden met elkaar, en herhaalden de meest wreedaardige trucs.

Op een dag deed een van de vrouwelijke gevangenen al mijn kleren uit, en begon mijn lichaam te betasten. Ik werd heel kwaad en ik viel haar verbaal aan. Ze zei echter: "Ik ben een gangster en ik ben lesbisch." Ze schreef iets op mijn lichaam dat Falun gong belasterde. Ik voelde me diep beledigd en weende luidop.

Iedere dag martelden de gevangenen me niet alleen overdag, maar ze gaven me ook klappen in het midden van de nacht, vooral wanneer afkickverschijnselen bij gevangenen de kop op staken. Eén gevangene sloeg me om strafvermindering te bekomen. Ze vroeg: "Is Falun Gong goed!?" Ik zei haar: "Falun Gong is goed en Falun Gong is de universele wet."3 Ze sloeg me nog meer en nog harder met haar vuisten, tot ze geen energie meer over had. Na deze klappen stonden mijn tanden los, mijn mond bloedde, en een tand was gebroken. Mijn gezicht was opgezwollen en mijn benen deden ernstig pijn. De misdadigster had zo hard op mijn voeten gestampt, dat het vel was gescheurd en bot en vlees zichtbaar waren.

De martelingen die volgden waren zelfs nog meedogenlozer en brutaler. Verschillende gevangenen duwden me in een opslagruimte die ze later "de folterkamer" doopten. Cipier Tang Geli liet de vijf gevangenen in de kamer binnen. Ze wilden me dwingen een "garantieverklaring" te ondertekenen om Falun Gong op te geven. Ik zei de cipier in de gevangenen dat ik niet met hen zou meewerken zelfs al zou ik sterven. De vijf gevangenen kwamen op me af; sommigen duwden stalen naalden in de zolen van mijn voeten, anderen duwden mijn armen achter mijn rug, plaatsen hun knieën op me en sloegen me genadeloos terwijl er eentje zei: "Het zal niet zo gemakkelijk zijn voor jou om te sterven. We zullen je martelen tot je half levend en half dood bent." Ik zei: "Ik zal deze mishandelingen rapporteren, zolang als ik nog een adem heb." Cipier Tang Geli zei: "Wie slaat jou? Hoe komt het dat ik niets zie?" Een andere zei: "Een Falun Gong beoefenaar doodslaan wordt niet geschouwd als een misdaad."

Ze deden een onbekend middel in mijn waterfles en dwongen me te drinken. Aangezien het me al lange tijd verboden was me te wassen en mijn tanden te poetsen, moest ik het water uit de fles gebruiken om mijn gezicht en handen te wassen. De wonden van de slagen genazen langzaam, maar mijn zicht ging achteruit. Er was bloed in mijn stoelgang en ik was uitgemergeld.

Alles wat ik deed werd nauwgezet in de gaten gehouden en ik kon niemand bereiken gedurende mijn gevangenschap. Ik voelde me genoodzaakt een brief te schrijven naar het hoofd van de zevende divisie, om te vertellen hoe ik gemarteld werd in het Baimalong dwangarbeidskamp voor vrouwen. De beulen werden bang en trachten alles te verdoezelen. Enerzijds verlengden de cipiers de gevangenisstraf van twee gevangenen die betrokken waren in de folteringen, maar anderzijds werd ik nog harder aangepakt door deze twee. Ze bedreigden me en trachten we te dwingen mijn brief te ontkennen, omdat ik anders naar het "strenge toezicht team" zou overgeplaatst worden en nog harder gemarteld zou worden. Ik trotseerde hen en ging niet in op hun eisen. Uiteindelijk keerde ik terug naar huis.



Bron: http://clearharmony.net/articles/200805/44199.html

ONDERNEEM ACTIE

In Focus

Voor meer informatie neem contact op met
het Falun Dafa Informatiecentrum

+31 (0)6-46767319 (Peter Houben)
of via het contact formular